Hebben we de vlaggetjes, vraag moeder nog een keer.
Ja, mama, kijk maar, Hugo houdt de vlaggetjes omhoog.
Goed zo, een beetje doorlopen hoor, zegt moeder, anders
zijn we te laat.
Wat gaan we doen, vraagt Hugo nog maar een keer.
We gaan Opa en Oma toch uitzwaaien, zegt vader, ze gaan
op reis.
Naar de verre landen, vraag Hugo.
De hele verre landen, zegt moeder, naar China.
Mag ik mee, vraagt Hugo.
Nee, zegt vader.
Ik ook mee, zegt Bono.
Nee, jij mag ook niet mee, zegt vader.
Waar zijn we nu, vraagt Hugo.
Op de luchthaven, hier vertrekken de vliegtuigen.
Vliegtuig, brult Bono, hij kijkt omhoog maar ziet alleen
het dak.
Straks gaan we naar de vliegtuigen kijken, zegt moeder,
maar eerst Opa en Oma uitzwaaien. Kijk daar zijn ze al.
Daar komen Opa en Oma al aan. Met een heleboel koffers.
Zoveel koffers dat ze een karretje nodig hebben om de
koffers te vervoeren. Opa duwt het karretje.
Ik wil erop zitten, schreeuwt Hugo.
Ik ook, ik ook, schreeuwt Bono.
Opa tilt zijn kleinkinderen op de wagen en zet ze
bovenop de koffers. Dat vinden Hugo en Bono leuk.
Wij zijn piraten, hé opa, schreeuwt Hugo.
Kapitein, schreeuwt Bono.
Ja, maatje, schreeuwt opa terug. Oma rolt met haar ogen.
Niet zo schreeuwen hoor, zegt Oma, er zijn ook andere
mensen.
Puff, zegt Opa.
Rennen opa, blauwbaard eenoog komt er aan, de gemene
piraten.
Maar wij zijn toch ook piraten, zegt opa verbaasd.
Nee, jij bent de blauwe ridder en ik de rode. Kijk maar.
Hugo wijs op zijn T-shirt. Die is rood. Opa heeft een
overhemd aan. Die is blauw.
Je hebt gelijk, Hugo, kom dan gaan we de koffers
inchecken.
Hu, zegt Hugo.
Hu, zegt Bono.
Dat betekent dat je de koffers aan een mevrouw geeft en
die zorgt dat ze in het vliegtuig komen. Dan hoeven Opa
en Oma niet de hele tijd op de koffers te letten als ze
vliegen. Want het is heel lang vliegen naar China. Wel
negen uur.
Nee, schreeuwt Hugo, wel tien uur.
Nee, schreeuwt Bono, vier.
Gaan jullie mee naar de balie, vraag Oma. Dat willen
Hugo en Bono wel. Opa rijdt ze helemaal naar de balie.
Waar de mevrouw zit. Die de koffers in het vliegtuig
stopt.
Wil jij op het knopje drukken, vraagt de mevrouw aan
Hugo. Kijk als je daar op drukt verdwijnen de koffers.
Zie je wel. Maar even wachten hoor.
Ik ook, ik ook, gilt Bono.
Jij mag ook, zegt de mevrouw, maar nu nog niet. Eerst
moeten de stickers erop. Anders weten we niet waar de
koffers heen moeten. Ik zeg wel wanneer het mag. Mag ik
u paspoort, meneer, mevrouw.
Opa en Oma laten hun paspoort zien. En de mevrouw tikt
wat op de computer. En dan komen de sticker er uit. De
mevrouw plakt ze op de koffers.
En dan mag Hugo op de knop drukken en de koffers van Opa
verdwijnt. En dan mag Bono op de knop drukken. En de
koffer van Oma verdwijnt.
Zo, zegt Opa, en nu gaan we weg.
Nee, Opa, je moet blijven. Hugo grijpt Opa beet. Bono
grijpt Oma beet. Opa en Oma lachen.
Nee, Opa en Oma gaan naar China en jullie komen ons toch
uitzwaaien, zegt moeder. Kijk hier heb je de vlaggetjes.
En moeder haalt de vlaggetjes uit haar tas. Op één
vlaggetje staat "Goede Reis" en op een andere vlaggetje
de kaart van China. Hugo en Bono pakken het vlaggetje
van moeder aan en beginnen te wuiven.
Krijgen we nog een dikke zoen, vraagt Oma. Natuurlijk
krijgen ze nog een dikke zoen van Hugo en Bono. En dan
van papa en mama en dan gaan Opa en Oma in de rij staan.
Hugo en Bono willen ook in de rij staan maar dat mag
niet.
Alleen Opa en Oma mogen door de douane, zegt vader. Maar
we kunnen wel zwaaien. En dan zwaaien Hugo en Bono. Een
hele tijd. Tot Opa en Oma door de douane zijn. En dan
kunnen Hugo en Bono Opa en Oma niet meer zien.
Gaan jullie mee naar huis, vraagt vader.
Dat willen Hugo en Bono wel. Het is ook heel laat. Wel
acht uur in de avond want Opa en Oma vliegen pas om
negen uur.
Papa.
Ja, Hugo.
Krijgen we nou geen pannenkoeken meer?
Tuurlijk wel, waarom niet?
Opa pannenkoek is
weg.
Mama kan ook pannenkoeken bakken hoor.
Papa.
Ja, Hugo.
Nu mag jij weer voorlezen hoor. Nu de voorlees Oma weg
is.
Oh, dank je wel Hugo.
En dan lopen ze naar de auto en gaan naar huis. Waar
moeder pannenkoeken bakt en vader voorleest. En als het
avond is, kijken ze uit het raam. Ze zien de maan.
Aan wie denken we nu, vraagt moeder.
Aan Opa en Oma, zegt Hugo.
Opa, Oma, zegt Bono.
En dat is toch heel lief. Of niet?
