Hugo en Bono

De rode en de blauwe ridder zitten in het kasteel als ze plotseling een hard geluid horen.
O, nee, roept de blauwe ridder, Blauwbaard Eenoog komt er aan. De rode ridder begint te lachen. Hij hoort Blauwbaard Eenoog al op de deur bonken van de slaapkamer.
Ik ben Blauwbaard Eenoog, de gevaarlijkste piraat van de zeven zeeën, brult vader, ik kom pakken en plunderen, geld en goud.
O, nee, schreeuwt de blauwe ridder, ik hou je tegen, Ik ben de sterkste. De blauwe ridder staat op en rent naar de glijbaan. Hij glijdt pardoes naar beneden en holt dan naar Blauwbaard Eenoog. Hij gooit zijn hoofd tussen de benen van de gevaarlijke piraat en dringt hem naar achteren.
Naar de gevangenis jij, schreeuwt de blauwe ridder.
Gevangenis, gilt de rode ridder.
Nee, niet naar de gevangenis, schreeuwt Blauwbaard Eenoog, niet naar de diepste van de diepste kerker in het kasteel. Niet naar de kelder.
Ja, wel, schreeuwt de blauw ridder weer. Hij duwt de piraat helemaal naar de kamer van Bono. En dan rent hij snel weg. Om de deur gauw dicht te gooien. En zo zit Blauwbaard Eenoog alleen in de gevangenis. En de blauwe ridder rent weer naar het kasteel. En naar de rode ridder. Snel gaan ze op bed liggen.
Maar wat is dat? Er wordt weer aan de deur geklopt. De blauwe ridder staat op. Wie is daar, vraagt de blauwe ridder.
Ik ben Fifi, het bloemenmeisje, zegt de stem aan deur.
Kom maar binnen Fifi.
Dank u wel. Ik ben zo bang. Blauwbaard Eenoog is weer in het land. Kunnen jullie met helpen.
Nou, zegt de blauwe ridder, Blauwbaard Eenoog is in de gevangenis.
Maar als hij ontsnapt, wat dan?
Nou, dan mag je ons roepen hoor. Ik ben de snelste ridder van de hele wereld.
O, dank u wel, blauwe ridder. Nou tot ziens. Ik ga weer naar het bloemenveld.
Dag Bloemenmeisje, zegt de blauwe ridder.
Dag, zegt de rode ridder.
Fifi het bloemenmeisje gaat weg. Maar o, jee, daar horen de ridders in eens iemand schreeuwen. Het is Fifi. Ze is in gevaar.
O, help, gilt Fifi, Blauwbaard Eenoog zit achter mij aan. Help mij nou toch.
Hier ben ik al. Ik val aan.
En de blauwe ridder valt aan. En hij duwt Blauwbaard Eenoog zo op de grond.
Laat me los, blauwe ridder. Ik moet pakken en plunderen.
Nee, jij gaat in de gevangenis.
En de blauwe ridder duwt Blauwbaard Eenoog weer in de gevangenis. In de diepste van de diepste kerker van het kasteel.
En dan roept mama in eens, eten.
Vader en Hugo kijken op.
Jammer, zegt Hugo.
Kom, zegt vader, we gaan. Vader staat op en haalt Bono van het bed. Hugo loopt al naar beneden. Vader volgt. Met Bono. En beneden is het handen wassen en eten. En pas daarna mogen ze weer spelen.