Hugo en Bono

En wat wil jij eten, vraagt Mama aan Bono.
Pannenkoeken, schreeuwt Bono. Bono heeft honger, honger nu. Hij kan niet wachten en begint te schreeuwen.
Stil Bono, zegt moeder boos. Maar Bono is niet stil. Bono wil eten. Gelukkig komt de ober. Met stokbrood. Vader smeert gauw een stukje brood. Hij geeft het aan Bono. Bono begint te eten en kijkt om zich heen. Tegenover hem zit een aardige mevrouw.
Mevrouw, schreeuwt Bono. De mevrouw kijkt om. Ze lacht. Naar Bono.
Van mijn, schreeuwt Bono weer en houdt het stukje stokbrood omhoog. De mevrouw lacht.
Van jouw, zegt de mevrouw.
Dat vindt Bono leuk. Hij neemt nog een hapje. Bono laat het brood dat in zijn mond zit aan de mevrouw zien. Aai, dat vindt de mevrouw niet zo leuk. Bono haalt het stukje brood uit zijn mond. Hij laat het stukje brood aan de mevrouw zien.
Dat vindt de mevrouw helemaal niet leuk. Ze kijkt niet meer.
Mevrouw, mevrouw, gilt Bono, steeds harder. De mevrouw wordt rood. Maar ze kijkt niet.
Stil, Bono, en eet netjes. Pakken en happen. NIet uit je mond halen dat is vies, zegt moeder tegen Bono.
Mijn, schreeuwt Bono.
Het brood is van jouw, zegt vader, maar dan moet je ook netjes eten. Anders pak ik het af.
Mijn, schreeuwt Bono nog een keer.
Ja, ja, zegt vader.
Bono draait zich weer om naar de mevrouw. Die kijkt strak voor zich uit.
Mevrouw, schreeuwt Bono. Ze kijkt niet meer.
Hier, zegt Bono, Hij haalt het stukje brood uit zijn mond en geeft het aan de mevrouw. Mama ziet het. Mama wordt boos. Ze pakt het stukje brood af. Bono begint te gillen, mijn.
Nou wordt Papa ook boos. Stil, zegt  papa.
Gelukkig komt de pannenkoek er aan. Bono vindt pannenkoeken lekker. Bono gaat eten. En dan wordt het weer rustig in het restaurant.