Papa, zullen we heksen spelen. Dan ben ik de kleine
heks.
Dat is goed, dan ben ik de grote heks.
Grote heks, ik hoor iemand in het bos, zegt kleine Heks.
Knibbel, knabbel, knuistje, wie krabbelt daar aan mijn
huisje, gilt grote Heks. O, nee, het zijn de ridders.
Wacht. Hokus pokus, pilatus pas, ik wou dat de hekserij
verstopt was. Zo, nu kunnen de ridders ons niet vinden.
Nee, het is de moeder van Hans en Grietje. Die is heel
boos op ons. Ze zoekt ons.
Maar hoe vinden de mollige kinderen ons nou? Ik heb
honger, zegt grote Heks.
Kijk daar een mollig kind, schreeuwt kleine heks.
Pakt, gilt de grote heks, ik heb honger.
Zo, in de kookpot, zegt kleine heks.
Vergeet de salamanderogen niet. En de kameleon tong.
We gooien er mollenstront in, zegt de kleine heks.
En paardenhaar.
En vleermuizenvleugels, draagt de kleine heks zijn
steentje bij.
De heksen worden nu helemaal enthousiast.
We gooien er koeienvlaai in, lacht grote Heks.
Nee, hondendrollen, lacht kleine heks.
En dan komt mama binnen. Mama zegt, wat een raar
spelletje. Gaan jullie gauw wat anders doen.
En dan worden grote heks en kleine heks weer papa en
Hugo en gaan ze met de lego spelen.
