De tovenaar liep
Hobbit land uit en rende gelijk het bos in. De tovenaar had geen haast. Het was
mooi weer en hij wilde van dat mooie weer genieten. Dus liep de tovenaar rustig
om zich heen te kijken en stopte de tovenaar soms bij een mooie bloem, een
prachtige tak en of zelf bij een gewone grasspriet. Het was al zo lang geleden
dat de tovenaar van gewone dingen had kunnen genieten dat hij bijna vergeten was
hoe mooi gewone dingen wel niet konden zijn.
”Kom te voorschijn,” gilde hij de bossen in, “je maakt me bang.”
Niemand reageerde en de tovenaar keek angstig om zich heen.
”Als je denkt dat je leuk bent, vergis je je, ik vind het niet leuk,” gilde
de tovenaar nog maar eens een keer en het was ook niet leuk. Iets of iemand had
zich in het bos verstopt want de tovenaar hoorde het geluid weer. Hij keek nu
heel goed om zich heen zoals alleen maar tovenaars kunnen en zag toen eindelijk
vanuit de verste hoek in zijn oog iets bewegen.
