De vriendelijke reus stond op de berg naar beneden te kijken. De reus lachte een beetje. Alle mensen leken wel op mieren, zo klein waren ze. De vader en de moeder van de reus hadden hem gewaarschuwd voor mensen. Ze zeiden dat mensen heel gevaarlijk waren en dat klopte ook wel want mensen hadden de reuzen naar de bergen gedreven waar ze een armoedig bestaan hadden. Ja, mensen waren gevaarlijk maar nu de reus zo naar beneden keek, leken ze bijna vriendelijk. Een plannetje kwam op in het hoofd van de reus. Ja, misschien kon hij die mensen wel bezoeken. Misschien waren deze mensen niet gemeen en kwaadaardig, misschien waren deze mensen wel aardig. De reus keek nog eens naar beneden. De mensen zagen er zo klein uit en krioelden door de stad. Krioelden door het land. Zoveel mensen, de reus werd er haast duizelig van. Zoveel mensen op elkaar dan moesten ze toch wel aardig zijn, anders hadden de mensen constant ruzie. Nee, deze mensen waren aardig. De reus wist het zeker. Blij draaide de reus zich om en begon de lange weg naar beneden. Naar de stad en dat klonk goed. De reus zei het een paar keer in zich zelf omdat de reus het bijna niet kon geloven dat hij onderweg was naar de stad. Een mensenstad ja, maar deze mensen waren aardig, de reus wist het zeker en liep snel door want dan ben je er tenminste gauw.
