Baby lag met verwondering te kijken naar het licht dat door de ramen heen
straalde. Het was zo mooi. Zo iets moois had baby nog nooit gezien. Zelf moeder
zag dat baby het mooi vond en lachte naar baby en baby lachte terug. De zon
schitterde en straalde en gaf baby heel wat om naar te kijken en baby vond het
wel best zo want hij keek graag naar het licht. Maar zelfs de zon schijnt niet
eeuwig en terwijl de tijd verstreek, werd het langzaam donker en in het donker
zag baby iets wat baby helemaal niet wilde zien.
"He, wat is er met jou aan de hand," vroeg moeder verbaasd want baby was van
een vrolijke baby in eens veranderd in een huilebalk en laag te krijsen en te
gillen in bed. "Heb je honger of heb je een vuile luier, vroeg moeder zich af en
ze boog zich voorover om te kijken wat er toch met baby aan de hand was.
" Hij heeft zeker slaap," bromde vader maar dat zei vader altijd als baby huilde
en ergens dacht moeder dat vader weer eens geen gelijk had.
"Nou, je hebt geen vuile luier, misschien toch honger," twijfelde moeder en ze
haalde baby uit de wieg en baby begon nog harder te huilen. " Wat is er toch,"
vroeg moeder zich vertwijfeld af.
