De tovenaar liep rustig langs de lanen toen hij
plotseling stemmen hoorden. Hij schrok ervan. "Hm, krijg
nou wat, kun je niet eens meer rustig lopen in het bos,"
bromde de tovenaar en de specht die het hoorde, knikte
want ook de specht was op zijn rust gesteld. Het hielp
echter niets want de stemmen werden niet minder maar
juist meer. Het leek wel of ze dichter bij kwamen. De
tovenaar wilde zich eerst nog verstoppen. Hij deed het
echter niet. Hij was een tovenaar en tovenaars waren
toch nergens bang. "Hm, ja, dat was misschien wel zo,"
mompelde de tovenaar in zich zelf, "toch kan het geen
kwaad voorzichtig te zijn," en hij dook achter een boom.
De specht die het zag, vond dat een wijze beslissing en
tikte toen verder tegen de boom.
"Ik zag hem hier lopen," hoorde de tovenaar zeggen.
"Waar is hij nu gebleven," vroeg een andere stem. De
tovenaar kende die ergens van. Hij kon echter niet zo
snel herinneren waarvan. Diep fronsend dacht de tovenaar
na. Als het bekenden waren, kon hij zich laten zien.
Toch? Ja, dan wel, nu nog even wachten, je wist nooit.
De tovenaar luisterde nog eens heel goed. Andere stemmen
voegden zich bij de twee en het werden ineens een
heleboel stemmen. "We moeten hem zoeken."
"Misschien heeft hij zich verstopt.
"Zoeken heeft geen zin, een tovenaar die niet gevonden
wil worden, vind je niet."
"Hm, een slimme," mompelde de tovenaar weer, "En die ken
ik." Opgelucht stapte hij achter zijn boom vandaan en
begroette de hobbits.
