Hoe lang is het geleden dat jij de zon zag, vroeg de
bezem aan de emmer en die moest lang nadenken want het
was al een tijdje geleden.
Een paar weken geleden, zei de emmer, moet het toch wel
zijn geweest. Gewichtig keek hij rond om te zien of
iedereen het wel gehoord had.
Het is een schande, brieste de dweil, die schimmel in
zijn binnenste voelde en dat kriebelde en was niet leuk.
Ach, wat geeft het, zei de schimmel gelijk, die de bui
wel voelde hangen en bang was dat ze naar buiten gingen
en dan werd de dweil nat en werd hij weggespoeld en dat
is ook niet leuk.
Ik heb nog nooit de zon gezien, schreeuwde een verroeste
schroef in de hoek van de trapkast. Iemand had hem daar
neergelegd en prompt vergeten. Niet leuk voor de schroef
want hij wilde de zon ook wel eens zien.
We moeten ontsnappen, zei de bezem zachtjes. De trapkast
gonsde ineens van de geruchten. Ontsnappen, wat is dat,
vroeg het schuursponsje heel bedeesd er doorheen,
terwijl de afwasborstel de vaatdoek vertelde dat hij een
heleboel ontsnappingsplannen had.
Weglopen uit de trapkast, zei de emmer keihard, niet
bang dat iemand hem zou horen. Sst, schreeuwden de
anderen gelijk, die daar wel bang voor waren. De emmer
liet zich echter niet de mond snoeren en gilde er
overheen, als de baas er was dan zaten we niet zo lang
in de kast.
Misschien wil de baas ons helemaal niet meer uit de
trapkast halen, je weet hoe een hekel hij aan
schoonmaken heeft, zei het schoonmaakmiddel venijnig en
dat snoerde de emmer de mond en deed de anderen
schrikken.
